“Ontvoerders sloegen ons terwijl we met onze ouders belden”

donderdag, 23 maart 2023
Nieuws
Pius Tabat en Stephen Amos werden samen met twee andere seminaristen ontvoerd op 8 januari 2020. Gedurende meerdere dagen werden zij gevangen gehouden en gemarteld terwijl hun ontvoerders probeerden losgeld los te krijgen van hun familie. Een van de leden van de groep, Michael Nnadi, werd vermoord omdat hij het Evangelie predikte voor een van zijn ontvoerders.
Funeral Mass of Seminarian Michael Nnadi  at Good Shepherd Seminary in Kaduna on 11th February 2020

Tijdens een online conferentie georganiseerd door Kerk in Nood (ACN), gehouden op 8 maart 2023, haalden Pius en Stephen in hun eigen woorden herinneringen op aan die moeilijke dagen.

“We hadden ons teruggetrokken in onze kamers voor de nacht toen we werden gewekt door geweerschoten. We wisten niet wat er gebeurde. Toen we bij de deur kwamen, werd er een pistool op ons hoofd gericht. De schutter nam onze telefoons en waardevolle spullen mee en vroeg ons naar buiten te gaan Ze namen ons mee over het hek en weg van ons terrein, zodat we niet gezien zouden worden door de veiligheidstroepen. We gingen diezelfde nacht nog de rimboe in.

We liepen drie tot vier uur, zonder te weten waar we heen gingen. Op een gegeven moment moesten we op hun motor stappen en reden we nog een uur door, waarna we in de vroege ochtenduren aankwamen. Ze lieten ons in een tent liggen, op de kale grond met nog zeven of acht andere mensen. We zaten met twaalf personen in de tent, in januari, in de kou.

Later zeiden ze ons om met onze ouders te communiceren, om hen mee te delen dat we ontvoerd waren. Ze sloegen ons tijdens die telefoontjes. We huilden van de spanning, terwijl onze ouders meeluisterden via de telefoon. Deze routine ging ongeveer twee weken door. Telkens als we belden, sloegen ze ons.

Het grootste deel van de dag zaten we geblinddoekt onder een boom. We konden niet gaan liggen, onze rug deed pijn, maar we konden niets doen, en we bleven geslagen worden, op ons hoofd, onze rug, of een ander deel van ons lichaam, elke dag, zonder medelijden. We zaten alleen maar en het volgende moment voelden we een stok in onze nek.

Onze ontvoerders waren Fulani-herders, ze spraken de Fulani-taal. We kunnen niet zeggen wat hun motief was, maar de mensen die we in gevangenschap ontmoetten, waren meestal christenen. Moslim gebedshuizen of leiders worden in ons gebied nooit aangevallen, dus het lijkt erop dat wij het doelwit waren vanwege ons katholieke geloof.

Bij de rivieren van Babylon
‘s Avonds, als we terugkeerden naar de tent, zeiden ze dat we moesten kreunen als koeien, of huilen als geiten, voor hun vermaak. Andere keren moesten we liederen zingen die we normaal gesproken in de kerk zongen, of voor hen dansen. Terwijl we zongen en dansten werden we geblinddoekt verder geslagen. We werden herinnerd aan Psalm 137:

Daar vroegen onze ontvoerders ons om liederen,
onze kwelgeesten eisten liederen van vreugde;
ze zeiden: “Zing voor ons een van de liederen van Sion!”

We kregen rijst en olie te eten, die we aten uit een heel vuil vaatje. Het was dezelfde waarmee ze brandstof voor hun motorfietsen haalden, en dezelfde waarmee we water uit de beek dronken, we konden de olie zien en ruiken, maar we hadden geen keus. Soms aten we één keer per dag, een enkele keer twee keer. We kleedden ons nooit om.

Een van onze broers werd erg ziek, bijna op het randje van de dood. Ze namen hem mee en lieten hem achter langs de kant van de weg, en zeiden dat iemand hem moest gaan halen. Gelukkig overleefde hij het.

De langste nacht
Toen we nog met zijn drieën waren, organiseerden we ons zo dat elke dag een van ons de anderen voorging in het bidden van een noveen en het uitspreken van bemoedigende woorden. Michael was de derde, maar hij werd gedood op de tweede dag van zijn beurt.

Tijdens die dagen begon een van de ontvoerders vragen te stellen, en Michael probeerde hem ons christelijk geloof uit te leggen. Het kwam zover dat hij vroeg om het “Onze Vader” te leren, en Michael leerde hem dat.

Misschien is het bekend geworden dat dit gebeurde, of heeft de jongen het zelf verteld. We zaten daar geblinddoekt en ze kwamen hem halen. We dachten dat hij zou worden vrijgelaten, dat het goed nieuws was, maar we wisten niet dat hij die dag zou worden gedood.

Later die avond vertelde de leider van de bende ons dat ze onze broer hadden gedood, en dat ze ons ook zouden doden als ze de volgende ochtend niet betaald zouden krijgen. Dat was een van de langste nachten van ons leven. In de ochtend belden ze ons en gaven ons onze mobiele telefoons om onze ouders te bellen om afscheid te nemen voordat ze ons zouden vermoorden. We deden dat en gingen terug naar onze tenten, ons leven achterlatend in Gods handen. Maar we werden die dag niet gedood.

De prijs van de vrijheid
Drie dagen later vertelden ze ons dat we zouden worden vrijgelaten. Het klonk te mooi om waar te zijn. Na zoveel dagen in gevangenschap, zoveel pijn, ontmenselijking, afranselingen, zouden we vrij zijn.

Ze reden ons op de fiets naar een verlaten nederzetting. Ze zetten ons daar af en zeiden dat we moesten lopen tot we een man vonden die ons terug zou brengen naar het seminarie. Toen ze vertrokken, voelden we de frisse lucht weer, we waren vrij. We vonden de man en hij bracht ons op zijn fiets naar de school.

Op dat moment hadden we nog steeds hoop dat Michael leefde en veilig was, maar het seminarie hoopte ook dat hij bij ons was. Onze superieuren namen contact op met de ontvoerders en kregen te horen waar ze zijn stoffelijk overschot konden vinden. Toen drong het tot ons door dat hij in koelen bloede was gemarteld, met als enige misdaad dat hij christen en katholiek seminarist was.

Wij geloven niet dat het toeval is dat wij vier dagen na zijn dood werden vrijgelaten. Het was alsof zijn bloed ons bevrijdde, hij betaalde de prijs voor onze vrijheid.

We werden naar het katholieke ziekenhuis gebracht voor onmiddellijke behandeling, en bleven daar ongeveer een week. We ontmoetten onze broer die eerder was vrijgelaten, en die goed herstelde. En nadat we waren hersteld keerden we terug naar onze verschillende bisdommen, waar we te horen kregen dat we ons moesten voorbereiden op de voortzetting van onze vorming, hier in het seminarie waar we nu zijn.

Onze families waren blij ons te zien en dankten God voor onze vrijlating. Toen zij hoorden van onze beslissing om onze vorming voort te zetten, waren er geen verwijten en probeerden zij ons niet tegen te houden. We werden eigenlijk bemoedigd door alles wat er gebeurde. Als God ons uit deze situatie heeft gered, dan heeft hij veel voor ons in petto, er staan ons dingen te wachten op deze weg die we zijn ingeslagen, dus we werden aangemoedigd om vast te houden aan onze roeping.

De katholieke bisschoppenconferentie bestudeert de mogelijkheid om Michael in de nabije toekomst voor te dragen als “Martelaar van Nigeria”, maar ondertussen willen bisschop Kukah en de gelovigen die hij dient in het bisdom Sokoto een initiatief in gang zetten om het geloof van rouwende Christenen aan te moedigen en te verdiepen door een plaats te bouwen waar de lijdende mensen hun pijn en hun gebeden kunnen brengen en genezing kunnen vinden in Gods barmhartige liefde: “Het is werkelijk de vervulling van het gezegde dat het bloed van martelaren het zaad is van het christelijk geloof”.

Met uw hulp kunnen de gelovigen samenkomen in dit Eucharistisch Aanbiddingscentrum in Malumfashi, in de staat Katsina, in het bisdom Sokoto, gebouwd ter ere van hen die omwille van hun christelijk geloof zijn gestorven door toedoen van extremisten. Klik hier om bij te dragen aan de bouw ervan?