fbpx

Wordt voormalige kathedraal Hagia Sophia moskee?

woensdag, 29 april 2020
Nieuws
De Hagia Sophia in Istanboel, in het huidige Turkije, was ooit het centrum van de Oosterse Orthodoxie. Later werd deze omgevormd tot een moskee en vervolgens tot een museum. Op 23 maart van dit jaar werd in deze voormalige byzantijnse kathedraal, een gebouw dat sinds 1934 officieel seculier is, opnieuw de moslimoproep tot gebed gehoord. Ook op 3 juli 2016 klonk de islamitische gebedsoproep, toen na een onderbreking van 85 jaar. Om de motivatie achter deze incidenten te ontcijferen, sprak Christophe Lafontaine van Kerk in Nood met historicus Etienne Copeaux, specialist in het moderne Turkije.

Hoe verklaart u de eis van Moslims om te mogen bidden in de Hagia Sophia in Istanboel?
Sinds de vijfhonderdste verjaardag van de val van Constantinopel in 1453 is de roep om de terugkeer van deze zesde-eeuwse kathedraal naar een plaats van islamitische eredienst groot. Toen de stad door de moslimstrijdkrachten (de “Fetih”) werd veroverd, ging de sultan naar de kathedraal om zijn overwinning te vieren. Hij transformeerde deze ipso facto in een moskee. Dit gebaar werd beschouwd als het verlenen van een heilig en islamitisch karakter aan de kathedraal, die sindsdien symbool van de Turkse islam is geworden. Paradoxaal genoeg wordt deze nog wel aangeduid met de voormalige Griekse en christelijke naam, Hagia Sophia. Kamal Atatürk, de stichter en eerste president van de Turkse Republiek (van 1923 tot 1938), besloot in 1934 de kathedraal te “seculariseren” – een groot schandaal voor religieuze moslims – en om te vormen tot een museum. Dat is tot op de dag van vandaag het geval.

Is de kwestie van het islamitische gebed binnen Hagia Sophia dus een kwestie van het verwerpen van de door Atatürk beoogde seculiere samenleving?
De herdenking in 1953, die aanvankelijk bescheiden was, vond plaats in een anti-secularistische periode, een tijd waarin de religieuze dimensie onder de regering van de democratische partij Adnan Menderes (1950-1960) terugkeerde. Hij verklaarde in 1956 in Konya: “De Turkse natie is moslim.” Deze verklaring weerspiegelde in feite het karakter van Turkije, dat na de genocide op de Armeniërs, de verdrijving van de Grieks-orthodoxen en de pogroms tegen de joden de facto voor 99% islamitisch was geworden. Het is sindsdien de slogan bij uitstek voor Turks extreemrechts.

Toen de politieke Islam weer aan de macht kwam, van juni 1996 tot juni 1997, beloofde de premier, Necmettin Erbakan, degenen die op hem stemden dat de kathedraal zou worden teruggegeven aan de Islam. Hij bleef echter niet lang genoeg aan de macht om dit project te verwezenlijken. Maar gedurende ongeveer dezelfde periode, van 1994 tot 1998, was Recep Tayyip Erdogan burgemeester van Istanbul en hij deed dezelfde belofte. Hij werd in 1998 echter afgezet door het leger en bracht zelfs enige tijd in de gevangenis door wegens “ondermijning van het secularisme” van Turkije.

In 2018 droeg Erdogan, nu de Turkse president, de Koran voor in de Hagia Sophia. En in maart 2019 verklaarde hij dat hij de status ervan wilde veranderen van een museum in een moskee. Moet dit gekoppeld worden aan de oproep tot gebed op 23 maart van dit jaar?
Ik denk dat veel van de maatregelen die Erdogan sinds 2002 en met name in 2012 heeft genomen een ruim 50 jaar oud politiek doel dienen, maar ook een vorm van wraak zijn voor de verwonding die hij in 1998 heeft opgelopen. Het gebed in de Hagia Sofia van maart is naar mijn mening niet meer dan de vooralsnog bescheiden voortzetting van een lang proces. Bovenal moeten we het Erdogan-regime niet als een breuk zien, want het is het resultaat van een lange nationalistische en islamitische trend, die niet altijd ondergronds is geweest.

Hoe zouden de Christenen in Turkije kunnen reageren?
De christelijke bevolking van Turkije is uiterst voorzichtig, door wat zij hebben meegemaakt. Dit geldt vooral voor het overblijfsel van de orthodoxe bevolking, waarvan de grote meerderheid in 1914, daarna in 1955 en 1964 in een reeks golven werd verdreven. Om nog maar te zwijgen van de verdrijving van de orthodoxen uit Noord-Cyprus in 1974. De voortdurende aanmaningen tot voorzichtigheid worden ook door de religieuze autoriteiten zelf met klem herhaald: maak geen golven, klaag nooit. De reacties van de orthodoxe Christenen in Turkije kunnen alleen via de officiële kanalen van het Oecumenisch Patriarchaat van Constantinopel worden doorgegeven. Maar de ervaring leert dat de ontmoetingen tussen de Patriarch en de Turkse autoriteiten vaak zeer formeel en diplomatiek zijn. Maar of de Grieks-orthodoxe wereld in Rusland even passief zou blijven als de kathedraal aan islamitische eredienst wordt overgeleverd, zoals in 1453, is de vraag. Gezien de huidige context van gecompliceerde betrekkingen met Rusland met betrekking tot Syrië is dit vrij onwaarschijnlijk.