fbpx

Het geloofsleven in Garissa, vijf jaar na de aanval

dinsdag, 07 april 2020
Nieuws
Bisschop Joseph Alessandro is de katholieke bisschop van Garissa, Kenia. De Maltese Franciscaan werkt al 14 jaar als missionaris in het Afrikaanse land. In een interview met Kerk in Nood deelt hij zijn pastorale ervaringen sinds de terroristische aanslag door Al-Shabab op de universiteit van Garissa vijf jaar geleden. Daarbij vielen bijna 150 doden.

Door Grace Attu

U werkt al vele jaren als missionaris in Kenia. Kunt u ons vertellen over uw pastorale werk en ervaring?

Ik ben ongeveer 14 jaar in Kenia geweest, in twee verschillende periodes, sinds 2015 als bisschop. Het werk in het bisdom is enigszins uniek, omdat het bisdom met 143.000 km2 het grootste in Kenia is. Er zijn echter relatief weinig gelovigen omdat het gebied half woestijn is en zeer dicht bij Somalië en Ethiopië ligt.

De weinige Katholieken zijn hier gekomen vanwege hun werk; overheidsmedewerkers, ambtenaren, leraren, verplegers, dokters en enkele zakenmensen. Al zijn het er weinig, we proberen hen toch zo goed mogelijk te bedienen. In het bisdom zijn zeven parochies, op grote afstand van elkaar. Ook is de weg niet goed en is deze niet veilig vanwege aanslagen door terroristische groeperingen. We bieden catechese en hebben vorig jaar een aantal die hun [traditionele] huwelijk hebben laten zegenen. Het was een grote gebeurtenis in het bisdom. We bereiden hun kinderen nu voor op de doop, de eerste Heilige Communie en het vormsel. Dat is het pastorale werk dat we doen. Daarnaast hebben we wat sommige mensen sociaal werk noemen, ik noem het liever liefdadigheidswerk.

Hoe zou u het geloof van deze paar katholieken omschrijven?

Hun geloof is heel sterk, alhoewel ze uitdagingen kennen omdat het een overwegend islamitische omgeving is. Als er aanslagen zijn gepleegd, zijn de slachtoffers altijd mensen uit het binnenland zelf die Christenen zijn. Het zijn niet alleen Katholieken, maar ook andere Christenen. Dit kan hen soms angst inboezemen, vooral wanneer we feesten of grote bijeenkomsten hebben. Maar we krijgen wel hulp van de overheid. Als we hen informeren over onze activiteiten, bieden ze ons veiligheid. Ook tijdens de zondagsmis is er beveiliging.

De naam Garissa brengt de dodelijke terroristische aanslag op de universiteit en de activiteiten van Al-Shabaab in herinnering. Kunt u ons een beeld geven van de huidige situatie?

Ja, deze gebeurtenis gebeurde precies 5 jaar geleden, het was een zeer trieste gebeurtenis. Ongeveer 148 studenten lieten het leven. Het waren allemaal Christenen van verschillende denominaties. Het was echt een schok voor de hele natie, vooral voor de Kerk in Garissa. Er waren ook katholieken onder hen, waarvan we wisten dat ze op zondag naar onze Kerk kwamen. Ik ging vroeger naar de universiteitscampus om de Mis te vieren en de biecht af te nemen. Ik had zoveel bewondering voor hen, omdat ze erg actief waren. Toen de aanval op de universiteit plaatsvond, kwamen enkele internationale verslaggevers de volgende zondag naar onze kerk, het was Pasen, en ze interviewden een aantal mensen en vroegen hen: “Ben je niet bang om naar de kerk te komen?”, ze zeiden: “Ja, we zijn bang. Maar als we toch moeten sterven, is het beter om in de kerk te sterven dan op straat.”

Nu danken we God dat de dingen bijna weer normaal zijn, ook al zijn er nog sporadisch aanvallen van terroristische groeperingen in ons bisdom. De afgelopen 2 maanden zijn er 16 van deze incidenten en aanslagen geweest, waarbij ongeveer 60 mensen het leven verloren.

Hoe reageert de kerk op deze situatie?

We proberen in de eerste plaats een dialoog te creëren met de lokale bevolking. We hebben een team van religieuze leiders – Moslims, Protestanten, Katholieken, Methodisten en anderen. We komen regelmatig bijeen om te proberen een band met elkaar te creëren en als we iets voorzien dat niet goed gaat, het te bespreken om te voorkomen dat de situatie verslechtert. Nu we die band gesmeed hebben, proberen we onze mensen rustig te houden als er wat gebeurt. We moeten verder gaan. Dit zijn extremisten. Niet iedereen is zo.

Ook van onze kant proberen we ons volk te leren om onderscheid te maken tussen de terroristen en degenen die geen terroristen, maar wel Moslim zijn. De Moslims van hun kant proberen hun volk te vertellen dat de Christenen hun broeders zijn. Ook al zijn er verschillen, we moeten samenleven als broeders en zusters. Ik denk dat we allen ons best doen.

Kerk in Nood vertrouwt vooral op de vrijgevigheid van weldoeners om missionarissen zoals u te ondersteunen die in het buitenland het werk van God doen, vooral in landen waar het moeilijk is om het geloof te beoefenen. Welke boodschap heeft u voor onze weldoeners?

Het is waar dat de Kerk universeel is en dat is de schoonheid van de Kerk. We belijden niet alleen hetzelfde geloof, maar we proberen elkaar ook te helpen. Er zijn kerken die materieel in nood zijn, dus andere kerken zullen hen bijstaan. In ruil daarvoor hebben de kerken die materieel bijstaan, priesters nodig, want het aantal priesters in Europa en in het Westen daalt. Priesters uit deze landen die hulp hebben gekregen, kunnen op hun beurt op zending worden gestuurd. Dit is een uitwisseling die de Kerk zeer levendig en actief maakt. Ik waardeer de weldoeners zeer. Zonder hun hulp zou de Kerk volgens mij niet zijn waar ze nu is. We hebben deze bouwwerken nodig, niet alleen voor scholen, maar ook die waarin we de religieuze gemeenschappen, de zusters en zelfs de priesters kunnen huisvesten. Vervolgens moeten we hen ondersteunen. Iedereen heeft iets te geven, net als dat iedereen iets nodig heeft om te ontvangen.