fbpx

Vijf mythen over Christen vervolging

dinsdag, 14 juli 2015
Nieuws
Maandag heeft Paus Benedictus XVI bij zijn jaarlijkse toespraak voor diplomaten aandacht geschonken aan religieuze vrijheid en in het bijzonder aan de vervolgde Christenen in de wereld...

door John L. Allen jr.[1, 2]

Maandag heeft Paus Benedictus XVI bij zijn jaarlijkse toespraak voor diplomaten aandacht geschonken aan religieuze vrijheid en in het bijzonder aan de vervolgde Christenen in de wereld.

"In veel landen worden Christenen beroofd van fundamentele rechten en uitgesloten van deelname aan het openbare leven", zei hij. "In andere landen hebben zij te maken met gewelddadige aanvallen op hun kerken en huizen."

Afgelopen week deed een Europese en Amerikaanse delegatie van Katholieke bisschoppen een poging om een klein hoofdstuk van deze mondiale kwestie voor het voetlicht te brengen: de Gazastrook, waar 2500 Christenen leven temidden van 1,5 miljoen Moslims. Ze zitten ingeklemd tussen enerzijds Islamitische militanten en anderzijds Israëlische en Egyptische blokkades.

De Engelse Bisschop William Kenney zei tegen de Christenen uit Gaza: "Jullie worden niet vergeten."

Dit is een mooie gedachte, en de bisschoppen van de Coördinatie van het Heilige Land, waaronder de Amerikaanse vertegenwoordiger Bisschop Gerald Kicanas (Tucson), verdienen lof voor hun inspanningen. Je kunt je alleen wel afvragen in hoeverre Kenney’s uitspraak waar is.

De Franse intellectueel Régis Debray, een linkse veteraan die in Bolivia aan de zijde vocht van Che Guevara, heeft opgemerkt dat anti-Christelijke vervolging precies valt in de blinde vlek van het Westen: de slachtoffers zijn voor de linkervleugel meestal "te Christelijk" om zich daarover op te winden, en "te buitenlands" om de rechtervleugel te interesseren.

Als bijdrage aan het wegpoetsen van deze blinde vlek, willen we vijf veel voorkomende mythen over anti-Christelijke vervolging ontmaskeren.

Mythe nr. 1: Christenen zijn alleen kwetsbaar waar ze in de minderheid zijn

Op de eerste plaats: zelfs al zou dit waar zijn, dan nog zou daardoor de kwestie nauwelijks minder ernstig zijn. Volgens een recente analyse door het Pew Forum leeft 10 procent van de Christenen in samenlevingen waar zij een minderheid vormen. Als er op aarde 2,18 miljard Christenen zijn, dan gaat het dus om 200 miljoen mensen, van wie er velen zoals in de Gazastrook worden bedreigd.

Zou een ramp 200 miljoen mensen in gevaar brengen, dan zou zij ongeacht haar oorzaak genoeg reden zijn voor zorg.

Het is evenwel duidelijk dat het niet waar is dat vervolging alleen daar plaatsvindt waar Christenen in de minderheid zijn. Volgens het Pew Forum (okt. 2010) worden Christenen in schrikbarend veel landen aangevallen, in totaal in 133 landen, wat neerkomt op meer dan tweederde van landen ter wereld, waaronder zich veel landden bevinden waar Christenen een sterke meerderheid vormen.

Dit punt wordt duidelijk door een blik op een recente lijst die is samengesteld door Fides (het Vaticaanse missionaire nieuwsagentschap), van Katholieke pastorale medewerkers die het afgelopen jaar zijn vermoord.

Van de 26 mensen die in 2011 zijn omgekomen, overleed er slechts één in een land waar Christenen een minderheid vormen: de Poolse Salesiaan Fr. Marek Rybinski, die in februari in Tunesië werd vermoord. De overige mensen stierven in landen waar Christenen in de meerderheid zijn, waaronder bijna geheel Katholieke landen als Colombia, Mexico, Burundi, Zuid-Sudan en de Filipijnen.

Colombia, het vijfde grootste Katholieke land op aarde, was in 2011 ook ‘s werelds meest gevaarlijke gebied voor Katholieke pastorale werkers. Er stierven zes priesters en één niet-geestelijke, bovenop het bloedige aantal van 70 priesters, twee bisschoppen, acht religieuzen en drie seminaristen die sinds 1984 in Colombia zijn vermoord.

Eén van de meest aangrijpende martelaren van 2011 kwam uit Mexico, waar 92 procent van de bevolking Katholiek is. Mary Elizabeth Macë­as Castro, leidster in de Scalabriniaanse Leken Beweging en een weblogger, werd onthoofd omdat ze de activiteiten van een drugskartel aan het licht bracht. Volgens de Commissie ter Bescherming van Journalisten uit de VS was zij ‘s werelds eerste journaliste die werd vermoord omdat ze social media gebruikte.

Overal waar Christenen hun geloof openlijk belijden, zich keren tegen onrecht of zich in gevaar brengen omwille van het Evangelie, daar lopen zij risico’s "ongeacht de plaatselijke religieuze demografie.

Mythe nr. 2: Het betreft alleen de Islam

Inderdaad wordt een onevenredig deel van de anti-Christelijke vervolging gevoed door de radicale Islam. Open Doors, een Evangelische organisatie, heeft voor 2011 in haar "Top 10"-lijst negen Islamitische staten opgenomen waar het voor Christenen het gevaarlijkst is, waaronder Afghanistan, Saudi-Arabië, Somalië en Iran.

Toch is het misleidend om anti-Christelijke vervolging eenvoudigweg gelijk te stellen met de Islam. Er bestaan op veel plaatsen in de wereld overtuigende voorbeelden van samenwerking tussen Christenen en Moslims, en hierop baseert Paus Benedictus XVI zijn visie van een "Alliantie der Beschavingen". (Eén van de belangrijke politieke partijen in de Filipijnen zijn bijv. de "Christelijke Islamitische Democraten".) Ook mogen we niet vergeten dat de meeste slachtoffers van Islamitisch extremisme in feite andere Moslims zijn.

Bovendien is de radicale Islam lang niet de enige bron van anti-Christelijke tendensen. Christenen hebben te lijden onder tal van andere krachten, waaronder:

  • Ultranationalisme (zoals in Turkije, waar de bedreiging eerder komt van extreme nationalisten dan van Islamisten).
  • Totalitaire staten, vooral de Communistische (China, Noord-Korea).
  • Hindoeïstisch radicalisme (anti-Christelijke vijandigheid is in sommige gebieden van India routine geworden. Afgelopen week vielen Hindoeïstische radicalen gewapend met stokken en ijzeren stangen 20 Pinkstergelovigen aan in hun eigen huis in de buurt van Bagalore. Door deze aanslag verloor de pastoor een vinger van zijn linkerhand. Toen Christenen twee weken geleden aangifte deden van vergelijkbare aanslagen, wuifde de officiële ambtenaar voor de Minderhedencommissie deze naar verluidt weg met de woorden: "Als jullie het onderricht van Jezus echt zouden kennen, dan zouden Christenen niet moeten klagen").
  • Boeddhistisch radicalisme (zoals in Sri Lanka, waar, in tegenstelling tot wat de stereotypen van Boeddhistische verdraagzaamheid doen geloven, in 2009 door Boeddhistische monniken geleide menigten Christelijke kerken en andere doelen in het land aanvielen).
  • Belangen van bedrijven (zoals in de Amazone van Brazilië, waar Christelijke activisten zijn vermoord omdat ze protesteerden tegen door agrarische concerns gepleegd onrecht).
  • Georganiseerde misdaad, drugssmokkelaars en andere misdadigers (de moord op de Mexicaanse Kardinaal Juan Jesëºs Posadas Ocampo bijv., die op de luchthaven van Guadalajara werd getroffen door 14 kogels afkomstig van gangsters die banden hadden met een drugskartel, of de aanslag in hetzelfde jaar op de Italiaanse Fr. Giuseppe Puglisi, een scherp criticus van de Siciliaanse mafia).
  • Van overheidswege opgelegde veiligheidsmaatregelen (zoals in Israël, waar controleposten, visa en andere beperkingen Christelijke families scheiden tussen Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever en het ze haast onmogelijk maken om in andere gebieden missen mee te vieren).
  • En zelfs, geloof het of niet, Christelijk radicalisme.

 

Mocht dit laatste punt intuïtief onaannemelijk lijken, bedenk dan wat er afgelopen september gebeurde in het dorp San Rafael Tlanalapan van de Mexicaanse deelstaat Puebla. Zeventig plaatselijke Protestanten werden gedwongen om te vluchten nadat een bende van traditionalistische Katholieken een angstaanjagend ultimatum uitvaardigden: onmiddellijk vertrekken of "gekruisigd" of "gelyncht" worden.

Het punt is dat het gevaar komt van extremisme en onverdraagzaamheid van welke kleur dan ook, niet van de Islam.

Mythe nr. 3: Niemand zag het aankomen

Wanneer Christenen het doelwit zijn, spelen politici en politie vaak de rol van Kapitein Louis Renault in Casablanca. Ze verklaren geschokt te zijn over wat er is gebeurd maar suggereren dat het geweld een onvoorzienbare ramp is in plaats van dat ze hebben verzuimd waakzaam te zijn. In een verontrustend aantal gevallen waren er echter tekenen die een al te duidelijke waarschuwing inhielden.

In Turkije zien we hiervan een voorbeeld. Op 3 juni 2010 werd Bisschop Luigi Padovese, een Italiaanse Kapucijn en de Apostolische Vicaris van Anatolië, vermoord door zijn chauffeur, die beweerde dat hij een privé-openbaring had met Padovese als de antichrist. Omdat hij onder psychiatrische behandeling had gestaan, kondigden de Turkse autoriteiten af dat er geen sprake was van een "politiek motief", waarmee zij de zaak sloten.

Wat niet erkend werd, was het algemene klimaat waarin een waanzinnige op het idee kon komen dat het kwaad zou kunnen bestaan in een Katholieke bisschop.

Kort na Padoveses aankomst in 2004 begonnen de onderhandelingen over het Turkse lidmaatschap van de EU waardoor nationalistische wraakgevoelens oplaaiden. Tussen 2004 en Padoveses overlijden in 2010 kwam een duidelijk patroon naar voren van dreiging jegens de kleine Christelijke minderheid (150 duizend van de 72 miljoen inwoners):

  • In 2005 leidden korte polemische dramaseries op de Turkse televisie over de Kruistochten ertoe dat er stenen werden gegooid door de ruiten van Christelijke kerken, afval werd achtergelaten op de drempels van kerken en Christelijke geestelijken op straat werden uitgescholden.
  • Ook werd in 2005 door een Turk met de naam Ilker Cinar, die beweerde dat hij als voormalig Protestant was teruggekeerd tot de Islam, een sensatieboek uitgegeven: Ik was een missionaris "De code ontcijferd. Hij beweerde dat Christenen samenwerkten met Koerdische separatisten en de natie wilden vernietigen
  • Op 8 januari 2006 werd in Adana een Protestantse kerkleider in elkaar geslagen door vijf jonge mannen.
  • Op 5 februari 2006 werd de Italiaanse Katholieke missionaris Fr. Andrea Santoro doodgeschoten in de stad Trabzon door een 16-jarige die riep "Allahu Akhbar". (Padovese droeg de begrafenismis op.)
  • In de weken na de moord op Santoro werd de Sloveense Fr. Martin Kmetec in een tuin gegooid en in de havenstad Izmir met de dood bedreigd, terwijl in de Samsun (haven aan de Zwarte Zee) de Franse Fr. Pierre Brunissen met een mes werd gestoken.
  • Op 19 januari 2007 werd in Istanbul een prominente Turkse Christen van Armeense afkomst, Hrant Dink, vermoord.
  • Op 18 april 2007 werden in Malatya drie Christelijke missionarissen die een kleine uitgeverij leidden, vermoord.
  • In 2009 publiceerden Turkse media rapporten over het "Kooi-Plan", een complot dat ultranationalisten samen met een aantal militairen hadden gesmeed om de staat te destabiliseren door middel van aanvallen op Christenen, Armeniërs, Koerden, Joden en Alevieten.

 

Is het in deze context wel zinnig om de moord op Padovese te presenteren als een incident? Of is het beter om te zeggen dat Turkije, zelfs al kon niemand het precieze tijdstip en doelwit van de volgende aanval voorspellen, had toegestaan dat een levensgevaarlijk klimaat kon doorgaan met etteren?

In alle eerlijkheid moet worden opgemerkt dat de Turkse autoriteiten na 2007 wel stappen ondernamen om de anti-Christelijke polemiek in de media te temperen, en volgens de Vereniging van Protestantse Kerken in Turkije nam het geweld ook af. Haar jaarlijkse rapport maakte melding van 19 anti-Christelijke aanvallen in 2007 en 14 in 2008, maar slechts twee in 2009. De moord op Padovese echter wekt de indruk dat de poging om het klimaat te veranderen, nog niet is geslaagd.

(Bij wijze van een voetnoot verscheen half december in de grootste Engelstalige krant van Turkije, Today’s Zaman, een fascinerende column die de lauwe reactie van het Vaticaan op de moorden op Santoro en Padovese vergeleek met de agressieve Protestantse benadering in de gevallen van Dink en Malatya. De Protestanten hebben een sterk advocatenteam bij elkaar gebracht dat aandringt op een serieus onderzoek, en zij hebben er hard voor gewerkt om de aandacht van de media vast te houden. Volgens de columnist Orhan Kemal Cengiz is er daarentegen "een absoluut gebrek van druk vanuit het Vaticaan" geweest. Hij wijdt dit aan de verkeerde inschatting door Rome dat door teveel druk de spanningen tussen Christenen en Moslims zouden kunnen oplaaien; in feite echter, zegt Cengiz, zijn de schuldige partijen extreme Turkse nationalisten.)

Mythe nr. 4: Het geldt alleen als vervolging wanneer de motieven religieus zijn

Na een blik op de Fides-lijst[3] van in 2011 vermoorde pastorale medewerkers is het verleidelijk om te concluderen dat veel van dit geweld eigenlijk helemaal niet anti-Christelijk is. In veel gevallen lijkt er meer sprake van te zijn dat iemand op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats was.

Een Colombiaanse priester bijv. werd doodgestoken door een dief die zijn mobiele telefoon probeerde te stelen; een andere werd doodgeschoten door misdadigers die uit waren op zijn motorfiets. Hetzelfde kan worden gezegd over Zr. Lukrecija Mamica, een Kroatisch lid van de Zusters van Liefde, en over de niet-religieuze Italiaanse vrijwilliger Francesco Bazzini, die in november allebei werden vermoord in Burundi. Mamica werd vermoord bij een overval van haar verblijf; vervolgens gijzelden de dieven Bazzani en vermoordden hem toen een confrontatie met de politie slecht afliep.

Of kijk anders naar wat er woensdag gebeurde in Kirkuk, Irak, toen gewapende mannen het vuur opende op het Chaldeeuwse paleis van de Aartsbisschop. De politie opperde dat het een vergissing was en dat het eigenlijke doelwit van de terroristen het nabijgelegen huis van het Turkmeense parlementslid was. Gelukkig raakte binnen niemand gewond, maar stel dat het anders was afgelopen "zou dat gelden als anti-Christelijk geweld?

Zeker, geen van deze gevallen passen bij de gebruikelijke definitie van martelaarschap, waarvoor iemand moet zijn vermoord in odium fidei "uit haat voor het geloof. Maar zelfs deze eis wordt tegenwoordig opgerekt. Paus Johannes Paulus II heeft martelaren opgenomen die zijn vermoord in odium ecclesiae "uit haat voor de kerk €“, en veel theologen geloven dat het martelaarschap niet alleen geldt voor wie uit haat voor het geloof is omgekomen, maar ook voor wie is gedood uit haat voor de deugden die wezenlijk zijn voor het geloof.

In ieder geval zijn tegenwoordig de risico’s nauwelijks nog beperkt tot de klassieke voorbeelden van martelaarschap, maar zijn er velerlei omstandigheden waarin Christenen gevaar lopen. Zelfs wanneer ze niet om religieuze redenen worden aangevallen, dan nog zijn de redenen voor hun aanwezigheid op die plaats gewoonlijk geworteld in hun geloof.

In Burundi bijv. waren Mamica en Bazzani vrijwel zeker niet het doelwit omdat zij Christen waren. Naar alle waarschijnlijkheid dachten hun moordenaars eenvoudigweg dat er in hun verblijf veel te stelen viel, zonder dat het zwaar beveiligd zou zijn. Maar toch, een religieuze vrouw en niet-religieuze vrijwilliger uit Europa wisten natuurlijk dat er wel veiligere plaatsen waren dan het noordwesten van Burundi, waar in 1994 een genocide plaatsvond. Zij kozen ervoor om daar te zijn omdat ze uit religieuze overtuigingen vergeten en kwetsbare mensen wilden komen helpen.

Zo hadden ook Louis Sako (nu Aartsbisschop) en de andere Chaldeeërs in Kirkuk, zowel geestelijken als leken, zich makkelijk kunnen aansluiten bij de uittocht van Christenen uit Irak. Maar zij kozen ervoor om te blijven, zeer waarschijnlijk omdat zij geloven in het belang van de Christelijke getuigenis, of omdat zij eenvoudigweg niet willen dat hun kerk na 2000 jaar geschiedenis wordt vernietigd.

Het enige dat bij het identificeren van hulpbehoevende Christenen van belang zou mogen zijn, is of ze zich in de vuurlinie bevinden "niet wat er in het hoofd omgaat van degene die de trekker overhaalt.

Mythe nr. 5: Anti-Christelijke vervolging is een rechtse aangelegenheid

Van de hier beschouwde vijf mythen is deze mythe ongetwijfeld het schadelijkst. Als we in deze gepolariseerde wereld het ergens over eens zouden moeten zijn, dan is het wel dat het ontoelaatbaar is dat mensen worden vervolgd op grond van hun overtuigingen "wat deze ook mogen zijn.

Toegegeven, anti-Christelijke vervolging kwam rond 1995 op de politieke agenda door een aantal conservatieve activisten en intellectuelen, zoals Michael Horowitz, Nina Shea en Paul Marshall. In 1997 schreef Jeffrey Goldberg in The New York Times Magazine[4] dat de nieuwe zorg om vervolgde Christenen "een kwestie is die wordt geproduceerd in het hart van Washington met als resultaat het kostbaarste politieke goed: een wig-kwestie."

Goldberg ging verder en beschreef hoe de kruistocht om vervolgde Christenen te beschermen, een aantal belangrijke binnenlandse kiezersgroepen tegen elkaar opzet.

  • Grote kerkelijke groepen vs. evangelisten en conservatieve Katholieken (de destijds secretaris-generaal van de Nationale Raad van Kerken, Joan Brown Campbell, mopperde in "95 dat de beweging riekte naar een "al te gespierd Christendom").
  • Sociaal-conservatieven vs. pro-economische groepen en buitenlandse beleidsmakers (men is al gauw op China gericht. Leggen we sancties op vanwege China’s ‘staat van dienst" op het gebied van religieuze vrijheid of niet?)
  • Traditionele mensenrechten groepen (Human Rights Watch, American Civil Liberties Union) vs. op geloof gebaseerde bewegingen.

 

Tot op zekere hoogte bestaan deze tegenstellingen nog steeds. Men zou eraan kunnen toevoegen dat in het tijdperk na 11 september het anti-Christelijke geweld door Moslims voor haviken een luide roep is om zich op de Amerikaanse rechtervleugel te verzamelen, wat kan helpen verklaren waarom sommige liberalen schuw blijven.

Maar dit alles zegt veel meer over de Amerikaanse politiek dan over de aard van anti-Christelijke vervolging. Helaas hebben we een politieke cultuur ontwikkeld die nog van Mamma en appeltaart een wig-kwestie zou kunnen maken.

De waarheid is dat vervolging van Christenen ideologisch gezien een waagstuk is van rechtsgelijkheid.

Men denke bijv. aan de beroemde martelaren van de bevrijdingstheologische beweging, zoals Aartsbisschop Oscar Romero of de zes Jezuïeten en twee vrouwen die in 1989 in El Salvador werden vermoord. Ook is er nog de Guatemalteekse Bisschop Juan José Gerardi, die in 1998 werd doodgeslagen, twee dagen na het vrijgeven van het rapport over de burgeroorlog in zijn land, dat het leger en rechtse paramilitaire groepen zwaar bekritiseerde. Recenter is er de Amerikaan Zr. Dorothy Stang, in 2005 in Brazilië vermoord voor haar pleidooi voor arme en inheemse bewoners van de Amazone; of de Indiase Zr. Valsha John, die het afgelopen jaar werd doodgeslagen omdat ze leden verdedigde van de lagere stammenklasse tegen onteigening van hun land door mijnbouwbedrijven.

Het verdedigen van vervolgde Christenen is met andere woorden nauwelijks iets dat alleen de politieke en theologische rechtervleugel zou moeten bezighouden. Het presenteren van anti-Christelijke vervolging als een politieke voetbal is niet alleen onfatsoenlijk, maar het is feitelijk gezien onjuist.

Vertaling: Camiel Donkers

Foto : artikel7.nu