fbpx

“Ontsnapt maar zwanger van Boko Haram”

Project
Rebecca was twee jaar lang in handen van terroristen. Twee weken geleden bereikte ze Maiduguri om zich – samen met een baby van een Boko Haram strijder- te herenigen met haar man.

Bitrus en zijn vrouw Rebecca vertellen het aangrijpende verhaal over hun belevenissen na de hevige aanval en de bezetting van Baga door terroristen van Boko Haram in 2015.

Op de vlucht voor Boko Haram
Met ingetogen blikken waarachter een diep verdriet schuil gaat, vertellen Bitrus en Rebecca aan pater Gideon Obasogie van het bisdom Maiduguri over hun trieste ervaringen sinds de stad Baga door Boko Haram werd bezet. In grote verwarring vluchtte Rebecca met haar man en twee zoontjes, Zacharia van drie jaar en Jonathan van één jaar, uit hun vertrouwde omgeving. 

Op hun vlucht hadden de achtervolgers het vooral op Bitrus gemunt. Omdat hij niet snel genoeg kon rennen met zijn zoon in zijn armen en Rebecca last kreeg van hevige pijnaanvallen, smeekte Rebecca hem te rennen voor zijn leven en haar met de kinderen achter te laten. Bitrus deed als gevraagd en verborg zich in de struiken, terwijl leden van Boko Haram het terrein uitkamden en af en toe schoten afvuurden. Gelukkig werd Britus niet getroffen, zoals hij met gemengde gevoelens vertelt.

“Ik bleef om nieuws vragen”
Na enige tijd trok Bitrus verder, gekweld door de vraag wat er met zijn vrouw was gebeurd en of ze in handen van de rebellen was gevallen. Terwijl hij zijn verhaal vertelt, kijkt hij met gevoelens van diepe spijt naar zijn vrouw omdat hij voor haar geen held is geweest in de moeilijkste ogenblikken in hun leven. Bitrus ging naar Mongonu, met de hoop zich weer bij zijn gezin te kunnen voegen als God hem in leven zou laten. Hij wachtte twee weken in Mongonu, steeds met de blik in de richting van Baga in de hoop zijn vrouw terug te zien. Intussen klampte hij veel mensen uit Baga aan: “Ik bleef om nieuws vragen over mijn vrouw… maar niemand had goed nieuws. Ik kreeg een inzinking, had hevige migraine en mijn bloeddruk schoot omhoog. Enkele soldaten boden me onderdak en wat geld aan, waarmee ik naar Maiduguri ben gegaan. Een oom daar probeerde me moed in te spreken en bracht me naar het ziekenhuis. Maar wat hij ook deed, hij kon geen einde maken aan mijn nachtmerries en hartkloppingen. Dat ik mijn gezin, alles wat ik ooit had, in de steek had gelaten, was geen gemakkelijk te verwerken ervaring.”

Gevangen door Boko Haram
“Toen ik door Boko Haram werd gevonden, daagden ze me uit met de woorden ‘Als we je man hadden gedood, zouden we door Allah zijn beloond… maar omdat Allah dit niet toestond, moeten jij en je kinderen voor Allah werken…’ Daarna gaven ze me met een geweerkolf zo’n klap dat ik een paar tanden verloor." Gevraagd naar wat er toen gebeurde, breekt Rebecca in tranen uit. Als ze weer tot zichzelf komt, vertelt ze dat haar nachtmerrie toen begon. Nadat ze alle gevangen mannen hadden gedood, brachten de terroristen van Boko Haram haar met haar twee kinderen naar het Tsjaad-meer. De oversteek van dit meer was een akelige tocht waarbij het water tot haar hals kwam. Er volgde een reis van zes dagen; af en toe kregen ze wat brokken te eten. Op de zevende dag kwamen ze in een dorp, Kwalleram geheten, midden in een doornbosgebied. Daar bleven ze bijna twee maanden. Rebecca moest voor de vrouwen van de terroristen wassen, zoete peper klaarmaken, de paden voor hun motorfietsen schoonmaken en voor hun soldaten koken. “Later namen ze mij en mijn kinderen mee naar Gurva in Tsjaad, omdat ze bang waren dat ik zou ontsnappen. We bleven zeventig dagen in Gurva, werkten er op het land en hakten brandhout. In Gurva waren ongeveer tweeduizend jonge soldaten.”

“Ik gaf niet aan hem toe”
“In Tilma hingen ze nummer 69 op mijn rug. Ik weet werkelijk niet wat dat betekent en heb er ook nooit naar gevraagd. Ze verkochten me aan een man met de naam Bage Guduma. Ik was twee maanden bij hem. Ze gaven me palmvruchten, maar gelukkig heb ik er niets van gegeten. Ik zou er hallucinaties door hebben gekregen en buiten zinnen zijn geraakt. Ik gaf niet aan hem toe. ’s Nachts smeerde ik me in met de ontlasting van mijn kinderen. Dat heeft hem altijd van mij afgehouden, ofschoon zijn knechten me steeds genadeloos afranselden. Ze lieten me een gat graven, drie weken lang, tot ik het grondwater bereikte. Ze gaven me iedere dag 98 slagen. Twee weken lang was ik ziek. Ook pakten ze mijn jongste zoon, Jonathan, en gooiden hem in het meer… levend. Hij verdronk.” Als ze dit vertelt, rollen de tranen over haar wangen. Al deze afschuwelijke dingen, alleen omdat ze weigerde haar lichaam te geven.

De Boko Haram-vader
“Malla was de tweede man aan wie ze me gaven. Ik werd gedwongen zijn bed te delen. Als ik me verzette, gooiden ze me in de gevangenis, een diepe kuil. Daar lieten ze me twee dagen zitten, zonder eten of water. Toen ik eruit kwam, verkrachtte Malla me meerdere malen. Toen ik niet ongesteld raakte, wist ik dat ik zwanger was geraakt. Ik zocht Paracetamol en nam tien pillen achter elkaar om van de zwangerschap af te komen. Maar dat gebeurde niet. Een vrouw troostte me, ze was de vrouw van een dominee en ontvoerd uit Gwoza. Maak je niet dood om deze zwangerschap, zei ze me. Ze had zelf al twee Boko Haram kinderen. Dit hielp me door de zwangerschap heen. Intussen kwam ik bijna om van de honger. Ik beviel in de hut; niemand kwam me helpen. In hevige pijn knipte ik zelf de placenta door. Medische zorg kreeg ik niet. De terroristen noemden mijn zoon Ibrahim. Ze waren dol op hem omdat hij een jongen is. Zijn Boko Haram-vader, Malla, was op reis geweest en kwam zes weken na zijn geboorte thuis. Ik had niets meer met hem te maken, want ze hadden me inmiddels aan een andere man beloofd.”

In de volgende tweeëneenhalf jaar zag ze vreselijke en angstaanjagende dingen. “Mensen die probeerden te ontvluchten, moesten dit met de dood bekopen. Zo braken ze de benen van Benjamin, een man die op de vlucht werd gepakt. Ze lieten hem in vreselijke pijn achter om te sterven.” Ook werd ze tot gebed gedwongen, iedere dag van zeven tot tien uur, van twaalf tot twee uur en van vier tot zes uur. Ze doodden enkele Christenen die weigerden met hen te bidden, verkrachtten jonge meisjes van acht en negen jaar mishandelden hen tot ze dood waren.

De ontsnapping
Op een goede dag, toen de meeste Boko Haram strijders weg waren, kreeg Rebecca verlof van de vrouw van een commandant om een vriendin op te zoeken in een ander dorp waarover Boko Haram de baas was. Met dit verlof ging ze naar Maitele, een kleine plaats in de omgeving. Samen met haar kinderen liep ze echter zes dagen door tot ze de Nigeriaanse grens bereikte. Onderweg werd de jongste ziek als gevolg van gebrek aan water en eten. Goddank kwam er een hevige stortbui die hen hernieuwde kracht gaf voor de reis. Velen zouden in haar toestand niet geweten hebben hoe verder te gaan. Maar niet Rebecca. Ofschoon ze niet precies wist waar ze was, zette ze haar tocht voort, in vertrouwen dat er ergens een veilige plek zou vinden. Ze kwamen tenslotte in Diffa, waar ze enkele Amerikaanse en Nigeriaanse militairen ontmoetten. “De soldaten waren fantastisch; ze brachten me zo snel mogelijk terug bij mijn man in Maiduguri.”

Mijn tweede zoon Ibrahim
“Ik was dolgelukkig mijn vrouw terug te zien, maar het kind breekt mijn hart. Het jaagt me de stuipen op het lijf haar te zien met de zoon van een Boko Haram vader. Moge God me de kracht geven hem lief te hebben… ja, de zoon van een slang”, zegt Bitrus met nauw verholen woede. Ook Rebecca heeft tegenstrijdige gevoelen. “De kleine Ibrahim is mijn zoon, ook al heeft hij een slechte vader.” Wel heeft ze meerdere malen geprobeerd het kind in een weeshuis onder te brengen, maar de soldaten hebben haar gezegd te wachten, want het kind is pas acht maanden. Rebecca heeft haar man gesmeekt haar te nemen zoals ze is. “En als hij daar moeite mee heeft”, zegt ze op vertwijfelde toon, “geef ik hem zijn zoon en keer ik terug naar mijn ouders.”

De Kerk helpt
Bitrus en zijn gezin worden geholpen door het katholieke bisdom Maiduguri, waarvan de bisschop, Mgr. Oliver Dashe Doeme, zich in het bijzonder met de vluchtelingen bezig houdt. Ze verblijven in een tijdelijk kamp waar zich meer dan 500 vluchtelingen bevinden. Met gebed en noodhulp zullen ze hopelijk de boze herinneringen en gekwelde gevoelens uit het verleden te boven komen. Het bisdom verstrekt Rebecca voedselpakketten en wil haar blijven helpen. Het gezin maakt op het ogenblik een moreel dilemma door. Rebecca heeft allereerst goede medische verzorging nodig en daarnaast voedsel, kleding, een goed onderdak en een slaapplaats om haar gekwelde hoofd te ruste te kunnen leggen. Ze is een vrouw met een sterk geloof. Tijd kan bijna alle wonden helen, maar systematische psychologische begeleiding is meer dan nodig. Ook moet haar zoon Zacharia, nu zes jaar oud, weer nodig naar school. Helpt u mee, zodat gezinnen als dat van Rebecca en Bitrus na hun moeilijke ervaringen de draad weer kunnen oppakken?