fbpx

Maleisië: Moslim mocht Christen worden

dinsdag, 21 juni 2016
Nieuws
Met een opmerkelijk oordeel heeft een Maleisische rechtbank vorige week een moslim die Christen is geworden in het gelijk gesteld. Dat meldt Aleteia.org.

Met de uitspraak heeft de rechter, Yew Ken Jie, een precedent gevestigd in het overwegend islamitische land. Bekeringen, vooral van de islam naar andere religies, leiden telkens tot controversen. Volgens de islamitische wet, de sharia, betekent bekering tot een andere religie afvalligheid, wat volgens de letter van de wet met de dood dient te worden bestraft.

Recht op godsdienstvrijheid

De bekeerling, Rooney Rebit, stelde voor de rechtbank dat zijn geloof in Jezus een fundamenteel mensenrecht is dat wordt gegarandeerd in de grondwet.

Volgens de rechter is Rebit “vrij om zijn recht op godsdienstvrijheid uit te oefenen” en “hij koos voor het Christendom”.

De man is in 1975 in een christelijk gezin geboren, maar zijn ouders werden moslim toen hij acht jaar oud was. Zijn islamitische naam was Azmi Mohamad Azam Shah. In 1999 echter koos Rebit voor het christendom en liet hij zich dopen.

Minderjarig

In haar oordeel woog de rechter mee dat Rebit minderjarig was toen hij moslim werd en daarom niet als belijdend moslim kon worden beschouwd. Maar toen hij op zijn 24e verkoos Christen te worden was hij volwassen genoeg om een weloverwogen beslissing te nemen.

Lagere rechtbanken hebben vaker het recht op bekering erkend, maar dit werd vaak door shariarechtbanken bestreden. De meest geruchtmakende zaak was die van Lina Joy, die zich in 1998 op 26-jarige leeftijd tot het Christendom bekeerde. Haar aanvraag tot officiële erkenning van haar bekering werd in 2007 door het Hooggerechtshof afgewezen onder het argument dat de rechtbank geen gezag heeft over religieuze zaken.

Grondwettelijk recht

Indien het Moslims betreft worden bekeringszaken door rechtbanken doorverwezen naar Shariarechtbanken die de bekeringen doorgaans niet erkennen en de bekeerling vervolgen. In deze zaak oordeelde de rechter echter dat het er niet om ging de bekering te beoordelen, maar of de bekeerling zich terecht beriep op zijn grondwettelijk recht op godsdienstvrijheid.