fbpx

Gegijzelde priester: “We gaan je levend verbranden”

donderdag, 29 juni 2017
Persoonlijk verhaal
Wat een rustige retraite week in het oostelijk deel van Nigeria had moeten worden, veranderde in een eindeloze nachtmerrie….

Het was 18 april, een dinsdag en ik stond op punt van vertrekken naar een retraite in het oosten van Nigeria. De retraite was bedoeld voor een groep zusters van het Onbevlekte Hart van Maria (IHM) op basis van de spirituele oefeningen van Sint Ignatius. Voordat ik rond het middaguur het huis verliet, had onze provinciaal, pr. Chuks Afiawari, me gebeld. We kletsten wat en hij maakte een grapje: “Zorg ervoor dat ze je daarginds niet kidnappen” en we lachten erom…..

Mannen met geweren
Ik verliet het centrum en reed naar een rondweg die naar een snelweg leidt tussen Agbor en de weg naar Asaba. Toen ik naar het noorden reed, hoorde ik sporadisch geweerschoten. Ik schrok ervan en werd ongerust, omdat ik op die weg niet gewend was aan geweerschoten.

Toen ik achterom keek, zag ik dat alle voertuigen achter mij stopten en probeerden om te draaien. Toen daagde het me dat er vóór mij zich iets gevaarlijks bevond. Toen ik opkeek zag ik gemaskerde mannen, schietend met AK47 geweren. Ik was zo bang. Ik zette meteen mijn auto stil en begon te keren. Toen ik dat probeerde, dook er echter plotseling een man op, heel dichtbij. Ik hoorde een schot in de lucht, maar wist niet dat het mijn voertuig was dat was geraakt.

In de auto lagen mijn twee telefoons naast me……de man kwam dicht bij me en zei: “Als je niet uit de auto komt, schiet ik je dood.” Ik keek snel naar buiten en naast mijn auto stond een grote zwarte jeep, een Mercedes, die ook probeerde weg te rijden. Andere gewapende mannen gingen er achteraan en haalden twee mannen uit het voertuig. Ik denk dat dat hen aantrok; dat was hun mikpunt want ze gaan echt niet achter elk voertuig aan.

In de bosjes geleid
Toen ik geweren op me gericht zag en ik in de bosjes geleid werd, voelde ik me als iemand die een film zit te kijken met een onwerkelijke afloop. Ik gaf me over, stak mijn handen omhoog, liet toen mijn telefoons opzettelijk achter in de auto en kwam eruit. Daarbuiten wezen zij naar iets wat leek op een pad in de bosjes en terwijl ze me vooruit duwden, zeiden ze: “Schiet op, vooruit, vooruit!”

Ik zag de andere twee mannen uit de zwarte jeep die ook gekidnapt waren mij volgen; het was ongeveer half één ‘s middags. De zeven gewapende mannen droegen allen krachtige AK47 geweren. Op eerste oogopslag waren ze allen Fulani, veehoeders uit het noordelijke deel van Nigeria. We liepen die dag ongeveer acht uur in de rimboe, door het bos en door landerijen van boeren. Onze kidnappers kenden het terrein zo goed dat ze zich niet vergisten in de plek waar ze ons naar toe brachten. Het verbazingwekkende was dat ze nooit langer dan een uur op één plek bleven: we bleven maar lopen tot het donker werd.

Achterblijver verwond
Terwijl we door het bos trokken, lieten ze één van de mannen achter die met ons was gekidnapt, omdat hij ziekelijk was en het tempo niet kon bijhouden. De kidnappers waren ongerust dat hij ons teveel vertraagde; op een bepaald punt overlegden ze zelfs of ze hem zouden doden. Uiteindelijk gebruikten ze een mes om zijn voet te verwonden, zodat hij langzamer moest lopen om uit het bos te komen. Ons tempo in het bos was ‘joggen’, we sprongen over boomwortels en liepen over bladeren die vaak in onze huid sneden, zo ruw. Toen begonnen ze naar onze telefoons te vragen.

Achterdocht
Ik was geschokt en begon mijzelf af te vragen: “Gebeurt dit echt met mij? Wat doe ik in dit bos? Wat doe ik hier?” Ik had het ontzettend koud en in mijn verwarring zei ik niets! Ik mompelde in mijzelf: “Dit kan niet gebeuren, God; dit kan niet gebeuren.” Ik had veel verhalen gehoord over kidnappings en nu was ik zelf hier. Ik weigerde zelfs te geloven dat ik zojuist was gegijzeld, totdat de werkelijkheid daagde toen we geblinddoekt in het donker in een bos zaten met vreemde mannen die hun geweren op ons richtten. Het drong toen pas tot me door. Ja, ik was gekidnapt. Ik begon God te vragen: “Waarom, waarom God?”

Die nacht vroegen ze me wie ik was; ik zei dat ik priester was. Maar ze waren achterdochtig om de manier waarop ik er uitzag. Ik had een snor en ze veronderstelden dat ik undercover agent kon zijn, een verschijnsel dat voorkomt in Nigeria. Ze bestookten me met vragen als: hoe oud ik was, wie mij had opgedragen priester te worden, waarom ik geen kinderen had en waarom ik niet getrouwd was. Het waren momenten van emotionele marteling die later overgingen in fysieke mishandeling….

Beroofd en alleen
Ze ontdeden ons van al onze bezittingen, ze namen mijn polshorloge af, mijn ring, een ketting, mijn portefeuille en een rozenkrans. De juwelen van de anderen werden afgenomen; ze waren heel kostbaar maar de kidnappers schenen hun waarde niet te kennen. Er was in het geheel geen sprake van om deze mannen vragen te stellen…..zij waren grof.

Die nacht liepen we tot vroeg in de ochtend. Terwijl we onze weg zochten door het bos, hielden ze stil om te luisteren naar geluiden. We gingen verder en ontweken alle signalen van mensen die hun boerderijen bewaakten of van de snelweg. We waren ingesloten door de zeven gewapende mannen, die allen hun geweren stevig vasthielden, dus er was geen ontsnapping mogelijk! We smeekten hen te stoppen en rust te nemen, maar ze liepen maar door…..er was geen mogelijkheid om te stoppen, want dan sloegen ze je met hun geweer. Diep in de jungle sliepen we en we schuilden onder een palmboom.

Contact zonder telefoon
Toen de kidnappers om telefoons begonnen te vragen, vertelde ik hen dat ik de mijne niet had en dat ik ze inderhaast had achtergelaten in de auto toen we werden gedwongen de struiken in te gaan. Mijn telefoons bevatten financiële informatie van het centrum, dus het was slim om ze achter te laten. Het had hen anders meer onderhandelingsmacht gegeven. Nu boette ik er hevig voor…ze geloofden zelfs niet dat ik priester was. In zeker opzicht wantrouwden ze mij. Toen zeiden ze dat ik me ieder nummer voor de geest moest roepen dat ik kende, maar ik kon me echt geen enkel nummer herinneren, ik hield niemand voor de gek. Ik heb nooit tijd genomen om nummers uit mijn hoofd te leren, behalve dat van één van mijn vrienden en zelfs dat kon ik me niet herinneren.

Marteling
Dat gaf aanleiding tot een reeks slagen. Ze bonden mijn handen en voeten met een touw vast aan mijn rug, net als een geit voordat hij wordt gedood. Ze trokken mijn soutane uit en toen mijn overhemd, gooiden me neer in het vuil op de grond en begonnen me te slaan met de achterkant van hun geweren. Ze schopten me hard in mijn zij, sloegen me in het gezicht en trokken mij hard over de grond. Toen hielden ze een lap dicht bij mijn neus….ik kon paraffine ruiken. Eén van hen zei: “We gaan je levend verbranden.”

Ik geloofde werkelijk dat ze het zouden doen… ik begon in stilte te bidden en zei: “God, ik vertrouw me aan u toe, ik vertrouw mijn geest aan U toe.” Ik berustte in de gedachte aan mijn lot; dat ik die dag zou sterven. Mijn handen werden gevoelloos en ik huilde en schreeuwde en smeekte om mij van deze pijn te verlossen, maar ze wilden niet. Ik kon de roestige geur van bloed op mijn wang ruiken. Tranen liepen uit mijn ogen toen ik snikte en jammerde van de pijn. Toen ze tenslotte de touwen losmaakten, zuchtte ik “ahhh” van de opluchting dat de touwen om mij heen eindelijk los gingen. Ik kon het bloed praktisch terug horen stromen in voeten en enkels. Het was de meest pijnlijke manier om iemand te martelen. Ik vroeg me af hoeveel langer ik in leven zou blijven. Er waren kneuzingen en diepe groeven om mijn armen en op mijn rug, waar de touwen hadden gezeten. Ik hoopte op een wonder…ik was aan hun genade overgeleverd, dus ik werd toegeeflijk in alles wat ze van mij vroegen.

Opnieuw bad ik elke minuut; tot de Heilige Ignatius, ik bad de rozenkrans van de eeuwige genade. Op een gegeven moment merkte ik dat ik van harte in mijn binnenste een Ghanees lied aan het zingen: “God spreek tot mij. God waar bent u?” Ik neuriede het in mijn hart en het gaf me hoop. Op de tweede dag, woensdagochtend, gingen we naar een andere plek. Toen we daar ’s middags aankwamen, vroegen ze opnieuw of ik een nummer had. Toen ik zei dat ik het niet had, sloegen ze weer…

Onderhandelingen
Ondertussen was de andere man erin geslaagd om contact te leggen met zijn broers en waren zij aan het onderhandelen. Ik smeekte om met die persoon te mogen spreken zodat hij op internet de Broeders Jezuïeten Nigeria kon checken, een nummer te vinden en te bellen, maar zij weigerden. Ze schenen bang te zijn om opgespoord te worden, zodat men hen zou kunnen vinden. Maar nadat het hen voorzichtig nog eens werd gevraagd, voldeden ze die avond alsnog aan mijn verzoek. Tenslotte kregen we het nummer van pr. David Ogun, een Jezuïet die werkt in één van de parochies in Benin. Hij verwees hen door naar onze Provinciaal, pr. Jude Odiaka, die de onderhandelingen voerde per telefoon.

Dit was de tweede dag, we hadden niet gegeten en hadden geen water en ze brachten ons slechts een half glas water, óf van een beekje in de buurt óf van het reservoir van een boer en vroegen ons om te drinken. Ik was nogal bang om ziek te worden dus ik probeerde dat af en toe te vermijden, zelfs als ik dorst had, maar de man die bij mij was moedigde me aan en zei: “Hier drink maar een beetje om wat kracht te hebben om te lopen.”

Bidden om troost
Op één moment begon ik zelfs te denken over de dood, en me voor te stellen wat het betekent en hoe het is om de sterven. Stel je voor….bidden om de dood. Ja, die nacht bad ik om de dood. Maar… ik had ook troostende gedachten. Ik wist dat een gerucht over de kidnapping de ronde moest hebben gedaan en dat de zusters van het retraitecentrum en de mensen die mij goed kenden, voor mij moeten hebben gebeden. Deze gedachte gaf me hoop om te leven, te overleven. Eén van de momenten van licht in deze hele tijd was met de man met wie ik samen was gekidnapt, omdat hij een geschenk was voor mij, een gave van God. Ik hoop dat ik dat ook voor hem was, want we wisselden stilzwijgend bemoedigende woorden uit omdat we niet met elkaar mochten praten.

Dreigen met de dood

Op dag 3, vrijdagmorgen, vertelden ze ons dat we onze contacten moesten bellen. Die dag was de laatste mogelijkheid om te betalen. “We kidnappen jullie niet om jullie te laten gaan zonder er iets voor terug te krijgen,” snauwde hij. “Als jullie mensen het geld niet betalen, zullen we jullie beiden doden.” Dus praatten we met onze contacten en gaven de informatie door. Rond het middaguur kwamen ze naar mij toe met mijn portefeuille en haalden er veel bankbiljetten uit. Al het buitenlandse geld van verschillende landen. Ze belden iemand van buiten en informeerden naar de waarde ervan, tot onze verbazing, omdat ze uiteindelijk wel telefoons hadden.

Het absurde is dat deze kidnappers zonder vrees telefoontjes pleegden vanuit het bos; ze gaven niet de indruk dat er vanuit de regering of van wie dan ook pogingen werden gedaan om ons te komen redden. Ze voelden geen druk, namen de tijd en voelden blijkbaar totaal geen noodzaak om weg te lopen. Ze waren in het bos op hun gemak. Ik heb geen vijanden , maar dit zou ik een vijand, wie dan ook, nooit toewensen. Zeker niet. Ze vonden uit wat de wisselkoersen waren en leken er tevreden mee. Die vrijdagavond beloofden ze ons te laten gaan, maar alleen als er geen politie bij betrokken zou zijn en na betaling van het losgeld.

Vasthouden aan het geloof

Mijn gebeden werden intensiever: “God, alstublieft, laat dit goed aflopen.” Ik herinnerde me het gezegde dat God je niet tot zover breng om je dan in de steek te laten, wat mijn hart enigszins gerust stelde. Rond vijf uur ’s middags werden we achtergelaten met twee van de kidnappers; anderen gingen op zoek naar het losgeld en weer anderen gingen weg om eten en drinken te kopen om hun succes te vieren. Eerder al had ik tegen mijzelf gezegd dat ik mijn provinciaal zou zeggen dat ik dit werk niet meer wilde doen; dat ik misschien iets anders zou moeten gaan doen op een andere plaats. Sint Ignatius zei altijd: “Neem geen beslissing als je in wanhoop verkeert” en ik denk dat ik, omdat ik wanhopig was, vergat wat ik als leraar van deze dingen herkend zou moeten hebben. Ik vergat het en toch nam ik daar een besluit.

Alleen in de jungle

Om acht uur ’s avonds werden we vrijgelaten. We konden de vrijheid ruiken en met een voorgevoel volgden we de twee bewakers. Ik was gelukkig dat we naar huis gingen. Toen we op de plek kwamen waar de andere kidnappers stonden te wachten, zeiden ze: “Kijk vooruit, rechtdoor, daar zie je een boom. Ga die voorbij en loop door. Jullie mensen staan daar op je te wachten!”

Stel je een inktzwart bos voor als richting waarin je gestuurd wordt. Er was geen duidelijk pad, we verlieten domweg de kidnappers en we begonnen te lopen, zonder te weten welke kant precies op. Het was één van de gevaarlijkste momenten van de gevangenschap toen ze ons midden in “nergens” lieten gaan. We bleven rondlopen in cirkels, het was zo’n negen uur en donker. We liepen langs boerderijen waar mogelijk hinderlagen konden zijn, een bos met slangen, schorpioenen en andere wellicht gevaarlijke beesten, of zelfs andere bewakers die op de uitkijk stonden naar indringers.

We liepen ongeveer een uur en keken uit naar de genoemde plek. Ik struikelde vaak omdat het zo donker was….maar de man die bij me was, gaf me een hand en zo keken we uit naar een aanwijzing. Gelukkig kwamen we bij een boom waar een pad liep. Van een afstand zagen we iets dat leek op een gebouw. We liepen er naartoe en hoorden voetstappen en schreeuwden toen: “Is hier iemand?” Ik hoorde een vrouwenstem die vroeg: “Wie zijn jullie?” Ik zei: “Alstublieft, we hebben hulp nodig, we zijn gekidnapt.” Op het moment dat ze “gekidnapt” hoorde, werd ze ongerust en zei: “Laat me mijn “oga” roepen, mijn echtgenoot”. De man die bij me was zei: “Mevrouw, kunnen we alstublieft wat water krijgen, we hebben vreselijke dorst.” Dat verzoek trof haar en ze kwam tevoorschijn met haar echtgenoot. Ik zei tegen hen: “Ik ben priester, zoals u aan mijn soutane hier kunt zien.” Zij vroegen: “Waar bent u gekidnapt?” Ik zei: “ We waren in het oerwoud.” De twee namen ons mee naar hun veranda en gaven ons water te drinken.

Ik ging daar zitten en begon te huilen en de andere man ook. De man gaf ons zijn telefoon en vroeg ons om het nummer te bellen van de mensen die op ons wachtten. Toen ze bij ons kwamen, was dat de eerste keer dat we mensen zagen die we kenden; de opluchting, de emotie op onze gezichten. Toen begon ik pas de pijn te voelen, alle kwellende momenten in het oerwoud kwamen voorbij. Ik snikte onbeheerst vanwege mijn pijn, uitputting en angst, van opluchting, blijdschap, maar ook van diepe bedroefdheid bij de gedachte aan waar we juist waren geweest.

Thuis

We reden naar het centrum, nog steeds niet in staat om een woord te zeggen en kwamen er rond middernacht aan. Broeder David stond ons op te wachten en bracht me naar het ziekenhuis om onderzocht te worden. Ik moet zeggen dat ik hevig verlangde naar een ijskoude cola of bier en zeker begon met de cola.

Ik herinnerde me de beslissing die ik probeerde te nemen in het oerwoud en weer begon ik te huilen vanwege de telefoontjes die ik die dag kreeg, de mensen die samendromden om mij te zien in mijn parochie en die fruit en geschenken meenamen en vroegen: “Broeder Sam, is alles goed?” Mijn broer, mijn familie, vroegere klasgenoten, zelfs mensen die ik in jaren niet had gezien of gesproken, werden door deze gebeurtenis teruggebracht in mijn leven. Door hen maakte God mij duidelijk dat ik nooit in de steek was gelaten toen ik in het oerwoud was. Dat zelfs toen ik buiten bereik en in gevaar was God onze gebeden hoorde en bij mij was.

Een wonder
Soms huil ik, als troost, als ik terugdenk aan de harde omstandigheden, toen ik zo bang was voor slangen, schorpioenen en allerlei kruipende dieren. Toch gaf God mij rust om de drie nachten door te slapen zonder angstige gedachten…..een wonder! Ik was in het dal van de schaduw van de dood en God kwam tussenbeide met de gebeden van mensen over de hele wereld. Als deze gebeden er niet waren geweest, dan had ik deze beproeving niet overleefd.

Deze ervaring was pijnlijk en traumatisch, maar hij heeft mijn geloof in God, mijn geloof in mensen….de mens als persoon en Gods gave van vriendschap vernieuwd. En dat als wat ik doe de moeite waard is, de mensen met wie ik samenwerk ook heel belangrijk zijn.

Mijn liefde voor de Sociëteit van Jezus is vernieuwd. Ik herinner me dat in het Hekima College in Nairobi een jonge man uit Zimbabwe naar me toekwam en zei: “U ziet er bekend uit, bent u Broeder Sam?” Toe ik ja zei, vervolgde hij: “We hebben in Zimbabwe voor u gebeden.” Het was zo geweldig om dat te horen. God is trouw geweest en mijn liefde voor de Sociëteit is gegroeid. Ook bid ik voor de vele mensen die morgen misschien gekidnapt worden vanwege de laksheid van de regering.

Priesters doen ertoe!

Er zijn veel priesters gekidnapt, maar ik hoop dat onze regering en onze Kerk ervan worden doordrongen om onze stem luider te verheffen, te spreken en te handelen tegen dergelijke slechte daden elke keer dat het gebeurt. De kerk moet zich het belang van het menselijk leven realiseren en niet fronsen of wegkijken als iets dergelijks gebeurt. We moeten ons consequent en indringend uitspreken voor het leven. Mijn leven is wat op het spel stond, mijn leven! Mijn achtergrond is geestelijke gezondheid, therapie en counseling, dus misschien trachtte God mij iets te laten zien. Ik weet het niet! Maar dit heeft mij ook kennis gegeven om hen te begeleiden die naar mij toekomen voor hulp, die troost zoeken, aanmoediging, sterkte, hoop, vernieuwing. Weet u, misschien is dat waarom het gebeurde. Ik weet dat ik de kracht en de kennis die ik hierdoor verkregen heb, niet voor mijzelf zal houden. Ik ga die gebruiken in mijn werk als counselor, psycholoog om wie naar mij komen voor hulp te begeleiden.

Bron: Jesam.info