fbpx

De lange arm van de jihadisten

maandag, 25 juli 2016
Persoonlijk verhaal

Door Andrea Krogmann

Laten we ze Samir en Sabine noemen en laten we ook zeggen dat ze begin 50 zijn. Ze zijn christenen die uit de stad Al-Raqqa, nu de hoofdstad van de terreurorganisatie Islamitische Staat, zijn gevlucht. Ze noemen IS "Daesh" in het Arabisch. Er zijn geen woorden voor de verschrikkingen die de zogenaamde "krijgers van God" op Samir en Sabine hebben losgelaten.

"Geen foto, geen namen!" Samirs gebaar is duidelijk: anders zal zijn hoofd rollen. Daarna laat hij zijn armen zakken met in zijn handen een stukje papier: een bon voor de belasting voor Christenen in de Islamitische Staat. De hoeveelheid beschermgeld die de jihadisten per jaar vragen van één familie is € 3700. Niemand is echter veilig voor hun terreur.

Samir en zijn familie hadden een goed leven in Al-Raqqa. Toen Daesh arriveerde, betaalde Samir. Toen de dreiging nog groter werd, bekeerden hij en zijn familie zich tot de Islam. "Ik haatte dat leven, de besluiering, en ik mocht niet op straat lopen zonder mannelijke toezicht," vertelde Sabin. "Dat is niet iets voor Christenen zoals wij!" Samir bad in de moskee om de schijn op te houden en zo zijn familie te beschermen. Toen kwam de auto met militanten. Iemand had zijn familie beschuldigd door te zeggen dat ze niet daadwerkelijk tot de Islam waren bekeerd en dat ze thuis nog steeds tot hun eigen God baden. Samir en zijn familie konden vluchten en schuilen bij een Islamitische vriend. Gedurende de nacht reisden ze naar Aleppo, dwars door het land, bang dat ze ontdekt zouden worden. "Na twee maanden in Aleppo werd ik opgebeld. Zij zeiden dat ze zouden komen om me te vermoorden."

De familie vluchtte weer, nu naar Beiroet. Daar ging de telefoon weer; "We weten waar je bent!" De bedreiging zette de familie ertoe aan te vluchten naar de Bekaa-vallei. Samir en Sabine zijn gelukkig dat ze er niet langer hun geloof hoeven af te vallen. "We hadden de hele tijd een afbeelding van de Heilige Charbel bij ons. Dat is wat is ons gered heeft," zegt Sabine. Beiden verklaren dat hun geloof "sterker is dan ooit." En hun geloof is de reden waarom ze het Midden-Oosten willen verlaten. "We zijn hier nergens meer veilig," zei Samir. De telefoon is ondertussen al overgegaan op de plek waar ze nu zijn. "Het maakt niet uit waar jullie zijn, we zullen jullie vinden!"

Jacob en Claire
We kunnen ze Jacob en Claire noemen. Ook hun verhaal gaat over het ontvluchten van levensgevaar. Het begon met demonstraties. Hun Islamitische buren wilden christelijke steun in de strijd tegen de regering. "Maar wij als Christenen houden van president Assad," zei Claire. "Onder zijn regering gaat het goed en is het veilig." De feiten over hun vlucht uit Qussairare zijn snel verteld. Op een vrijdag preekten de jihadisten over het doden van de Christenen. Alle mannen ouder dan 5 jaar vluchtten naar Libanon. Vijfenzeventig van hen haalden het niet. Zij werden geëxecuteerd door IS. De vrouwen en kinderen bleven achter. De strijders vielen hun huizen binnen, vernielden, plunderden en dreigden met verkrachting. Toen vluchtten ook de vrouwen met hun kinderen. Er zijn geen woorden die deze pijn en trauma kunnen omschrijven.

Maria
Maria uit Sadat wil niet haar eigen verhaal vertellen en praat in plaats daarvan over haar buren. "Die oktobernacht in 2013," vertelt ze, "kwamen de mannen van IS. Zij schreeuwden drie keer ‘Allahu Akbar’. Toen vermoordden ze iedereen: de oma, de opa, de ouders, de dochter en de zoon. Drie generaties. Zij gooiden hun lijken in de fontein." Maria wordt stil. "Er zijn te veel verhalen die het Syrische volk heeft meegemaakt."

"Er zijn hier families die over de lichamen van hun buren moesten klimmen om te kunnen vluchten," vertelt Sana, de enige die haar naam noemt. Sana is Libanees en met de hulp van Kerk in Nood helpt ze sinds het begin van de Syrische burgeroorlog de vluchtelingen in haar stad. "Hun kinderen tekenen tot op de dag van vandaag nog steeds deze schrikwekkende gebeurtenissen." Het heeft tijd nodig om dit trauma te kunnen verwerken, maar de Christenen zijn blij dat ze kunnen beginnen met praten over wat ze hebben meegemaakt.