fbpx

‘De armen hebben je leven nodig’

vrijdag, 30 september 2016
Persoonlijk verhaal
De Missionarissen Dienaars der Armen van de Derde Wereld wijden hun leven aan het helpen van arme en verlaten kinderen in Zuid-Amerika en Hongarije. Door werk en gebed, want “bidden en dienen zijn twee onafscheidelijke vrienden”.

Door Susanne van den Berk

“De enige die onze arme wereld redt is Christus en Hij is de werkelijke protagonist in alles wat wij doen”, vertelt pater Augustin Delouvroy. De uit België afkomstige pater Augustin is sinds 1996 verbonden aan de beweging Missionarissen Dienaars der Armen van de Derde Wereld. Deze kerkelijke missionaire beweging staat in voor de zorg voor arme en verlaten kinderen in de Derde Wereld en werd in 1986 in Peru gesticht door de Italiaanse priester Giovanni Salerno. Hij werkte op dat moment al achttien jaar als missionaris in Apurimac, een van de armste streken van het land. “Toen hij daar de encycliek Populorum Progressio (van Paulus VI over de sociale leer van de Kerk – svdb) las”, vertelt pater Augustin, “was zijn ervaring dat er in het hart van de Kerk een heel grote liefde is voor de armen, maar dat de armen die liefde niet kennen. En zo is onze beweging geboren om jonge christenen de mogelijkheid te geven de liefde van Christus en zijn Kerk tussen de armen te verwezenlijken.”

‘Op jullie knieën’
De missionaire beweging bestaat uit vier gemeenschappen. Er is een contemplatieve tak, waaraan momenteel twee broeders verbonden zijn. Daarnaast zetten zeventien paters en toegewijde broeders zich in voor de armen. Net als de vrouwelijke tak – “een tachtigtal zusters” – die zich ontfermt over arme, gehandicapte en verlaten kinderen. De vierde gemeenschap wordt gevormd door de missionaire gezinnen, waarvan er nu tien zijn. De missionarissen komen uit de hele wereld. “Wij zijn een beetje zoals de VN”, lacht pater Augustin. Ook wordt jonge mensen de mogelijkheid geboden om één jaar met de beweging mee te leven om de armen te dienen en om in hun eigen roeping te groeien.

Pater Augustin was ooit een van hen. In 1996 ging hij als achttienjarige naar Peru om een jaar met de beweging mee te leven. “En dat is blijven duren.” “Aan de jonge mensen die bij ons aan de deur kloppen, zegt onze stichter altijd: ‘De armen hebben noch je geld nodig, noch wat je kan doen, ze hebben je leven nodig.’ En aan ons zegt hij altijd: ‘Jullie eerste dienst aan de armen is dat jullie op jullie knieën gaan voor de Heer, zodat Hij jullie hart kan bekeren.’ Dat is het belangrijkste en onze beweging is ook geboren om vele christenen te helpen om hun eigen missie te ontdekken. Dat is heel belangrijk, ook voor de armen die ver afstaan van ons.”

‘Geen grenzen’
Hoewel de beweging ontstaan is in Peru zijn er “geen grenzen” aan de missie, zegt pater Augustin. “Daarom hebben wij onlangs twee nieuwe missies gesticht in Zuid-Amerika. In de arme wijken van Guadalajara in México, waar een missionaire familie aanwezig is, en in het bisdom Cienfuegos in Cuba waar al twee priesters zijn.” En daar blijft het wellicht niet bij. “Pater Giovanni Salerno heeft met ons altijd gesproken over zijn wens om ook naar China te gaan, naar Afrika… overal.” Daar waar de beweging actief is, wordt het als belangrijkste taak gezien voor de arme en verlaten kinderen te zorgen, want “de kinderen zijn degenen die het meest te lijden hebben onder de gevolgen van ons egoïsme en ons onrecht. Maar zij zijn ook de grootste hoop voor de armen en voor de wereld”. De zorg voor de weeshuizen, scholen en beroepsateliers die door de beweging zijn opgericht is dan ook een hoofdtaak, vertelt pater Augustin. “Die hebben wij
gesticht om er arme kinderen en jonge mensen te helpen. Daarbij zijn wij ook bezig met het bezoeken en het evangeliseren van arme dorpen en wijken waaruit onze kinderen oorspronkelijk afkomstig zijn.”

‘Onze Heer’
“Wat de meeste indruk op mij maakt is de echte aanwezigheid van onze Heer in onze arme wereld en zijn liefde voor de armen”, zegt pater Augustin. “Onze stichter is alleen en zonder één euro begonnen met de stichting van de Missionarissen Dienaars der Armen in een heel arme streek en toch is er nooit een tekort geweest aan middelen om de armen mee te dienen.” Dat toont voor pater Augustin aan: “Als wij onze harten openstellen voor de armen, geeft de Heer ons veel meer dan dat wij zelf geven.” Dankbaar is hij ook voor de vrijgevigheid van heel veel mensen overal ter wereld. “Zij kennen onze armen niet, maar hebben een grote liefde voor hen.”

Zigeuners in Hongarije
Sinds de jaren negentig is de beweging, naast Zuid-Amerika, ook actief in Hongarije. Dat idee kwam spontaan op toen pater Giovanni contact kreeg met enkele mensen uit het land. “Dat ging over de armen van Peru en de mogelijkheid om hen daar te gaan helpen. Maar merkwaardig genoeg ging de aandacht toen ook naar de armen van Hongarije, namelijk de zigeuners die daar heel arm zijn, en over de roeping van iedere christen om de armen te dienen in zijn dagelijks leven.” Als gevolg van die gesprekken werd een kleine gebedsgroep opgericht – “want bidden en dienen zijn twee onafscheidelijke vrienden” – en werd gestart met de missie. “Die is nog aan het groeien en vandaag hebben wij een centrum dat dagelijks een klein groep kinderen een diepgaande opleiding geeft.”

‘Eén enkele Kerk’
“De missionarissen zullen altijd nodig zijn”, denkt pater Augustin, “want er zullen altijd plaatselijke Kerken zijn die het moeilijker zullen hebben dan andere en wij kunnen geen echte christenen zijn als wij die moeilijkheden niet in ons eigen hart dragen… er is maar één enkele Kerk van de Heer in de wereld!” Pater Augustin gaat verder: “Toen pater Giovanni Salerno in Peru aankwam waren er vele buitenlandse missionarissen. Dat aantal is nu fors gedaald, daardoor is voor vele arme mensen de Kerk nog altijd onbereikbaar. Enkele dagen geleden was ik nog in Peru en ik mocht daar enkele dagen doorbrengen in een heel arm dorp. Daar vertelden de mensen dat sinds de katholieke Kerk afwezig is in hun dorp, de verdeeldheid dieper is geworden en ook voor droefheid zorgt onder de mensen. Zulke dingen mogen wij niet alleen maar horen, daar moeten wij ook iets mee doen.”

Bron: Katholiek Nieuwsblad